Barun Cloudbreaker
Goliath Paladin
Silvy Elvenstar
Wood Elf Druid
Urza Ghorzh
Orc Barbarian
Kairon
Tiefling Artificer Wizard
Tufty Titmouse
Halfling Ranger
Sommige campaigns beginnen met een oproep. Andere ontstaan vanzelf, uit ontmoetingen en gedeelde ervaringen. Phandelver & Below: The Shattered Obelisk begon niet met een plan, maar met een groep mensen die elkaar langzaam beter leerden kennen.
De aanleiding lag bij een ontmoeting van de vrouw van de Dungeon Master tijdens een D&D-event. Daar speelde zij met een aantal mensen een one-shot. Die sessie bleek zo leuk dat ze later nog eens bij elkaar kwamen om het avontuur af te maken. Vanuit dat moment ontstond het idee om samen een volledige campaign te starten. Hoewel de meeste deelnemers elkaar al vaag kenden, was bijna niemand ervaren met Dungeons & Dragons. Slechts één speler had eerder gespeeld.
Voor de DM voelde deze tweede groep anders vanaf het begin. Waar eerdere campaigns draaiden om ontdekken en leren, groeide deze groep uit tot iets dat verder ging dan alleen spelen. In de loop van de tijd ontstonden echte vriendschappen. Samen werd niet alleen gespeeld, maar ook oud en nieuw gevierd. Er kwamen schilderavonden, hulp bij een verhuizing, en andere momenten buiten de speeltafel. De campaign werd een vaste plek waar mensen elkaar ontmoetten.
Het leiden van deze groep gaf ook een ander gevoel als Dungeon Master. De eerdere ervaring zorgde voor meer rust en vertrouwen. Het was mogelijk om opnieuw te beginnen met frisse energie, zonder de onzekerheid van een eerste campaign. Het feit dat de meeste spelers nieuw waren, werkte juist prettig. Het gaf ruimte om samen te leren, zonder dat verwachtingen of regels in de weg stonden.
De sfeer van het avontuur sloot goed aan bij wat de DM zelf leuk vond. Het verhaal speelde zich af in de klassieke Forgotten Realms, met herkenbare elementen zoals kobolds, ruïnes en bekende monsters. Het voelde als een traditionele D&D-ervaring, waarin avontuur en ontdekking centraal stonden.
Zoals vaak waren het juist de kleine momenten die het meest bleven hangen. Toen de groep plotseling oog in oog stond met een owlbear, reageerde Barun instinctief door Kairon naar achteren te gooien om hem te beschermen. In een ander moment liet dezelfde Barun zijn overwinning nog eens extra blijken door op een verslagen vijand te spugen. Zulke scènes typeren de spontaniteit en humor die de campaign kleur gaven.
Wat deze campaign echter echt bijzonder maakt, is niet een specifieke scène, maar de betrokkenheid van de spelers. Eén van hen had aanvankelijk weinig met dit soort spellen, maar zet zich nu actief in om er steeds bij te kunnen zijn. Dat soort groei, zowel aan tafel als daarbuiten, is voor de DM misschien wel het meest waardevolle resultaat.
Nu de campaign bijna is afgerond, voelt zij als een stevige basis voor de toekomst. Het is een fase waarin vertrouwen, stabiliteit en plezier samenkomen. Tegelijk vormt het een duidelijke opstap naar een nieuw hoofdstuk. Het volgende avontuur staat al klaar: Storm King’s Thunder.
Deze campaign markeert daarmee een moment waarop Dungeons & Dragons meer werd dan alleen een spel. Het werd een gedeelde ervaring, een sociale band, en een vast onderdeel van het leven buiten de speeltafel.
Startdatum: Mei 2025
Einde: Currently Running
Running Months:
Start Locatie: Phandalin, Fearûn
Level start: 1
Men vertelt dat de reis naar Phandalin aanvankelijk zonder noemenswaardige verstoring verliep. De weg lag stoffig en stil onder een bleke hemel, tot enkele mijlen voor het dorp een hinderlaag werd gelegd. Vier goblins sprongen uit het struikgewas, bogen gespannen, stemmen schril van agressie. Volgens degenen die erbij waren, was het gevecht kort maar fel. Toen het stof neerdaalde, lagen de aanvallers roerloos tussen de varens.
Op de weg werden sporen van een eerdere strijd gevonden: gebroken pijlen, omgewoelde aarde, een omgevallen wagen. Het ontbrak aan twee figuren die men daar verwachtte. Een spoor leidde het bos in, maar men koos ervoor eerst Phandalin te bereiken, in de hoop daar nieuws te vernemen.
In de Stonehill Inn hing de geur van stoofpot en bier. Toblen Stonehill ontving de reizigers met eenvoudige hoffelijkheid. Aan een tafel zat Adabra Gwynn, wier blik langer rustte op Urza dan op de anderen. Wie het zag, zegt dat er herkenning school in haar woorden. Silvy ontving later een klein bundeltje gedroogde bloemen met een cryptische boodschap. Een zwarte kat bewoog zich zwijgend door de herberg en verdween even geruisloos als hij was verschenen.
Latere kronieken vermelden dat dit de avond was waarop de naam van de verdwenen tovenaar Iarno Albrek opnieuw werd uitgesproken, evenals die van een zekere Zwarte Spin. Wat toen nog klonk als gerucht, zou spoedig gewicht krijgen.
De beek die naar de Cragmaw Hideout leidde, klaterde onschuldig tegen de rotsen. Toch hing er een geur van vocht en dreiging in de lucht. Volgens degenen die erbij waren, werd de ingang bewaakt door goblins die zich schuilhielden in een houten uitkijkpost. Vlammen sloegen omhoog toen magie werd ingezet, en rook kringelde langs de rotswand.
Binnen in de grot werden drie wolven aangetroffen, vastgeketend en onrustig. Eén werd gekalmeerd, de anderen vielen samen met hun meesters. Dieper in het gangenstelsel wachtte Klarg, een bugbear van indrukwekkende gestalte, bijgestaan door zijn wolf Ripper. Het gevecht dat volgde weergalmde tegen natte wanden. Toen het stil werd, was Klarg gevallen.
Men vertelt dat de stilte na de strijd zwaarder woog dan het gevecht zelf. Het druppelen van water en het knarsen van laarzen over steen waren de enige geluiden die overbleven. Cragmaw was getroffen, maar niet gebroken.
Na korte rust werd de grot verder doorzocht. In een zijkamer werd een grote slang aangetroffen, haar schubben glanzend in het toortslicht. Wie het zag, zegt dat het dier niet werd gedood, maar gekalmeerd, een zeldzame onderbreking van geweld in een plaats die erdoor was doordrenkt.
Verderop hielden goblins onder leiding van Yeemik en Errk een gevangene vast: Sildar Hallwinter, verzwakt maar levend. Onderhandelingen volgden. Goud wisselde van eigenaar, en kort daarop brak opnieuw strijd uit. De goblins werden verslagen; hun machtsstructuur in de grot stortte in.
Sildar sprak, eenmaal bevrijd, over grotere zaken. Hij noemde de Wave Echo Cave, een plaats van oude magie en verloren rijkdom. Hij sprak ook over de Zwarte Spin, wiens hand onzichtbaar leek maar toch overal voelbaar was. Men vertelt dat op dat moment duidelijk werd dat de gebeurtenissen in een afgelegen grot slechts een begin vormden.
Toen men terugkeerde naar Phandalin, lag het landschap vredig onder het zonlicht. Toch was de rust bedriegelijk. De namen die in de duisternis waren uitgesproken, zouden spoedig hun schaduw werpen over heel de vallei.
Bij terugkeer in Phandalin werd duidelijk dat het dorp leefde onder een sluier van onrust. Men vertelt dat gesprekken in de herberg verstomden wanneer onbekenden binnenkwamen, en dat de naam van de Redbrands slechts fluisterend werd uitgesproken. Afpersing, verdwijningen en dreiging bepaalden het ritme van het dagelijks leven.
Volgens degenen die erbij waren, leidde een woordenwisseling bij de Sleeping Giant al snel tot geweld. Drie Redbrands bleven achter op de grond, hun rode mantels besmeurd met stof en bloed. Het nieuws verspreidde zich sneller dan enig ruiter had gekund. Latere kronieken vermelden dat dit het moment was waarop de machtsbalans in Phandalin begon te verschuiven.
Wat eerst een onderdrukte gemeenschap was, begon voor het eerst weer adem te halen. Maar met openlijke tegenstand kwam ook onvermijdelijke vergelding.
Via aanwijzingen van een dorpsjongen werd een verborgen tunnel ontdekt die toegang gaf tot het ondergrondse bolwerk van de Redbrands. De gangen waren oud, vochtig en doordrongen van een geur die men niet snel vergat. Wie het zag, zegt dat de muren zelf het gewicht van geheimen droegen.
In een diepe kloof werd een misvormd wezen aangetroffen, een Nothic met priemende blik en fluisterende stem. Het gevecht dat volgde was intens maar beslissend. De brug over de kloof kraakte onder gewicht en spanning, en een val in de diepte werd ternauwernood overleefd.
Verderop werd een goblin genaamd Droop bevrijd uit handen van bugbears. Volgens degenen die erbij waren, toonde hij zich dankbaar en overhandigde hij een eenvoudige maar waardevolle plattegrond. Zijn aanwezigheid in het dorp zorgde later voor verdeeldheid. Sommigen zagen in hem een risico, anderen een kans op verandering.
In de nacht die volgde, werd melding gemaakt van een oude molen en sporen van onderzoek naar een zeldzame bloem die slechts onder volle maan bloeit. Men vertelt dat daar, bij een eik op het veld, een vreemde energie voelbaar was. Het leek alsof de natuur zelf getuige was van wat zich in Phandalin ontvouwde.
De terugkeer naar de Redbrand Hideout bracht een einde aan wat restte van hun georganiseerde verzet. In de gemeenschappelijke ruimte werden ruffians en huurlingen verslagen. Het gevecht was kort maar onmiskenbaar in zijn boodschap: de greep van de Redbrands op het dorp was gebroken.
In een afzonderlijke kamer werd een alchemistisch laboratorium ontdekt, waar flessen en glazen buizen getuigen waren van heimelijke experimenten. Men vertelt dat daar een wezen uit lagere sferen verscheen, een Quasit, klein maar kwaadaardig. Het werd verslagen, en slechts de geur van zwavel bleef achter.
Iarno Albrek, de man die men in Phandalin had verwacht als bondgenoot, bleek echter gevlucht via een geheime doorgang. Latere kronieken vermelden dat hij zijn papieren en plannen meenam, wat suggereert dat zijn rol in de gebeurtenissen groter was dan men aanvankelijk aannam.
Tussen de achtergelaten voorwerpen werd een glazen staf gevonden, doordrenkt van duistere energie. Het voorwerp werd een tastbaar bewijs van verraad.
Hoewel de Redbrands uiteenvielen, werd steeds duidelijker dat zij slechts een schakel vormden in een groter netwerk. Achter hun handelen bewoog een andere macht, geduldiger en gevaarlijker, die haar draden verder had uitgesponnen dan het dorp kon overzien.
Men vertelt dat de gangen van de Redbrand Hideout dieper en killer werden naarmate men verder doordrong. In een wapenkamer, waar roest en stof de boventoon voerden, werden skeletten gewekt uit hun rust. Het gevecht was fel maar kort; botten braken uiteen onder staal en magie, en een overgebleven Redbrand koos het hazenpad.
In een afgesloten ruimte werden Mirna Dendrar en haar kinderen aangetroffen, uitgehongerd maar levend. Volgens degenen die erbij waren, sprak zij met vaste stem over haar vermoorde man en over een verleden in Thundertree. Zij noemde een verborgen kistje onder de vloer van een oude winkel, waarin een smaragdgroene halsketting lag. Wie het hoorde, begreep dat dit geen louter materiële belofte was, maar een herinnering aan wat verloren was gegaan.
Bij een diepe kloof in het gangenstelsel werd een val op tijd ontdekt. Touwen werden gespannen, stenen verschoven. Niet iedereen bereikte zonder moeite de overzijde. Aan de rand van diezelfde kloof liepen de spanningen tussen metgezellen op. Verhitte woorden weerklonken tegen de stenen wanden, en latere kronieken vermelden dat deze woorden nog lang zouden nadreunen, ook buiten de muren van de hideout.
Nog in de schaduw van de ondergrondse gangen werd een gnoom aangetroffen die zijn gestolen meetinstrumenten terug zocht. Volgens degenen die erbij waren, bleek hij geen bondgenoot van de Redbrands, maar een slachtoffer van hun roof. Hij werd vrijgelaten en verdween haastig uit de diepte.
Boven de grond leek Phandalin veranderd. De lucht voelde lichter, gesprekken vrijer. Men vertelt dat Sildar Hallwinter plannen besprak om orde en bestuur te herstellen. Er werd gesproken over een beloning voor het uitschakelen van de dreiging in Cragmaw Castle, waar mogelijk nog een gevangene werd vastgehouden.
In de nacht werd Droop in het huis ondergebracht. Hij bood aan zich nuttig te maken en toonde bijzondere aandacht voor OneTooth, de hond. Wie het zag, zegt dat de verhouding tussen goblin en dorp aarzelend maar oprecht begon te verschuiven.
De volgende ochtend werd de reis hervat. Nog voor de zon hoog stond, sloeg een paard op hol en stormde een Owlbear uit het struikgewas. Met brute kracht werd een van de reizigers tegen de grond geslagen. Toch werd het dier uiteindelijk tot terugtocht bewogen. De ontmoeting liet sporen na, niet alleen in vlees maar ook in de stilte die volgde.
De blik werd naar het noorden gericht, naar Thundertree, waar een druïde zou verblijven die kennis bezat over Cragmaw Castle. Men vertelt dat de ochtendmist laag over de velden hing toen de tocht begon.
Diep in het bos herhaalde de dreiging zich. Een Owlbear, mogelijk dezelfde als eerder, viel aan met rauwe kracht. Volgens degenen die erbij waren, werd een directe confrontatie slechts met moeite vermeden. Het dier trok zich terug in het woud, maar liet een duidelijke waarschuwing achter.
Thundertree zelf werd aangetroffen als een plaats waar de natuur de menselijke bouw had teruggenomen. Huizen stonden scheef, straten waren overwoekerd, en een giftige nevel hing tussen de ruïnes. Aan de rand van het dorp werden levende struiken aangetroffen die zich vijandig toonden en snel werden neergeslagen.
De ontmoeting met de druïde Reidoth verliep gespannen. Wie het zag, zegt dat wantrouwen sneller toesloeg dan woorden konden herstellen. Een plotselinge aanval leidde tot haar vlucht in dierlijke gedaante. Uiteindelijk werd zij weer onder ogen gekomen en gevangen gezet, maar het vertrouwen was broos.
Wat begon als een zoektocht naar kennis eindigde in een conflict dat de onderlinge verhoudingen tekende. En terwijl de ruïnes van Thundertree zwijgend toekeken, werd duidelijk dat de dreiging in deze streek niet beperkt bleef tot goblins en struikrovers, maar wortelde in iets dat ouder en giftiger was dan men tot dan toe had vermoed.
Men vertelt dat de nacht niet ongestoord voorbijging. Het kamp was zorgvuldig ingericht, met gespannen touwen en waarschuwende belletjes aan de rand van het vuurlicht. Toch keerde de Owlbear terug. Wie het zag, zegt dat het dier gehavend was maar niet gebroken, zijn ogen glanzend in het donker.
De strijd die volgde was kort en zonder aarzeling. Ditmaal was men voorbereid. Staal en spreuken troffen doel, en het zware lichaam van het beest viel met een dreun die de grond deed beven. Toen het stil werd, bleef slechts de geur van bloed en rook achter. Latere kronieken vermelden dat dit gevecht een grens markeerde: de wildernis had haar waarschuwing gegeven en ontvangen.
De tocht naar Thundertree werd hervat. Wat ooit een levendige nederzetting was, lag in verval. Overwoekerde straten en ingestorte huizen getuigden van een ramp uit het verleden. Aan de rand van de ruïnes werden Twig Blights aangetroffen, verdorde wezens bezield door kwaadaardige energie. Zij werden snel neergeslagen.
Reidoth werd opnieuw ontmoet. Volgens degenen die erbij waren, was haar houding gereserveerd maar niet langer vijandig. Zij sprak over een groene draak die zich in een toren had gevestigd en het land vergiftigde. Als dat gevaar werd weggenomen, zou zij bereid zijn haar kennis te delen.
De toren waarin de draak huisde stak als een gebroken vinger boven de ruïnes uit. De lucht was zwaar van gif, en men vertelt dat zelfs de stenen er ziek uitzagen. Het wezen dat zich daar ophield was jong, maar reeds indrukwekkend in gestalte en dreiging.
Een poging tot toenadering faalde. De draak antwoordde met een wolk verstikkend gas. Wat volgde was een gevecht waarin moed en voorzichtigheid elkaar moesten aanvullen. Volgens degenen die erbij waren, werd het wezen zwaar verwond maar niet gedood. Het koos het luchtruim, zijn vleugels snijdend door de nevel, en verdween richting onbekende oorden.
In de verlaten toren werden waardevolle voorwerpen verzameld. Daarna werd de oude kruidenwinkel bezocht waarover Mirna Dendrar had gesproken. Onder een losse plank werd het beloofde kistje gevonden, met daarin een smaragdgroene halsketting die nog altijd glansde ondanks de jaren van stof en vergetelheid.
De nacht werd doorgebracht tussen ruïne en toren. Buiten gierde de wind door lege straten. Binnen brandde een klein vuur. Latere kronieken vermelden dat het vertrek uit Thundertree niet het einde van de drakendreiging betekende, maar slechts een uitstel.
Na twee dagen reizen door dicht woud doemden de contouren van Cragmaw Castle op. Het fort lag half overwoekerd, maar nog altijd dreigend. Torens stonden scheef als vermoeide wachters, muren vertoonden diepe scheuren.
Bij de poort wachtten goblins met gespannen bogen. Volgens degenen die erbij waren, werd niet lang geaarzeld. Pijlen suisden door de lucht en de eerste linie werd doorbroken. Vanuit het binnenplein sloten bugbears zich bij de strijd aan. Het gevecht verspreidde zich over binnenplaats en gangen, stof en geschreeuw vermengden zich tot een doffe storm.
Men vertelt dat het kasteel leek te ontwaken onder het geweld. De klank van voetstappen en dichtslaande deuren weerklonk in de diepte. Hoewel de eerste verdedigers werden neergeslagen, was de strijd nog niet beslist.
Latere kronieken vermelden dat op dit moment duidelijk werd dat Cragmaw Castle meer was dan een toevluchtsoord voor rovers. Het was een schakel in een groter plan, en achter zijn vervallen muren werd gewerkt aan iets dat reikte tot de verloren mijn zelf.
Het gevecht binnen Cragmaw Castle zette zich voort in krappe zalen en half ingestorte vertrekken. Volgens degenen die erbij waren, leek de lucht zelf zwaar van dreiging, alsof het fort zijn adem inhield.
Te midden van het geweld zakte Tufty plotseling ineen. Wie het zag, zegt dat er geen zichtbare wond was die zijn val verklaarde. Silvy knielde bij hem neer en stabiliseerde hem met vaste hand. Pas toen zijn ademhaling hersteld was, voegde zij zich weer bij de anderen.
Achter een oostelijke deur klonk een laag, ritmisch geluid, als het schuiven van gewicht over steen. Men koos ervoor deze dreiging te vermijden en trok via een zijgang verder. Daar stuitte men op een grotere groep goblins. De strijd was chaotisch en fel, maar hun linie brak. Enkelen vluchtten dieper het kasteel in.
In een aangrenzende ruimte werd Gundren Rockseeker aangetroffen, geboeid maar levend. Zijn toestand was zwak, doch zijn woorden helder. Hij sprak over ondervragingen en over een kaart die hem was ontnomen. De naam van de Zwarte Spin werd opnieuw genoemd, ditmaal als directe tegenstander.
Niet lang daarna werd koning Grol zelf onder ogen gekomen. De confrontatie was bruut en zonder omhaal. Toen hij viel, viel ook het laatste georganiseerde gezag binnen Cragmaw. Men vertelt dat de echo van zijn doodskreet nog lang bleef hangen in de kapotte torens.
Met Gundren bevrijd en het kasteel gezuiverd, werd het fort systematisch doorzocht. Volgens latere kronieken werd daarbij niet alleen buit verzameld, maar ook bevestiging gevonden van bredere plannen. Brieven en aanwijzingen wezen richting de Wave Echo Cave, waar oude magie en verloren rijkdom samenkwamen.
Gundren sprak over zijn broers en over een herontdekte mijn die meer bevatte dan zilver of goud. Hij noemde een smidse van spreuken, een plaats waar magie in staal werd gesmeed. Wie het hoorde, begreep dat dit geen gewone onderneming was, maar een herleving van iets dat eeuwen had gesluimerd.
De terugkeer naar Phandalin werd ingetogen ontvangen. Men vertelt dat het dorp opgelucht was, maar ook onrustig. Het nieuws van een gevallen kasteel en een naderende zoektocht naar een legendarische mijn verspreidde zich snel. Met de val van Cragmaw was een machtsvacuüm ontstaan dat ongetwijfeld anderen zou aantrekken.
Men vertelt dat de terugkeer naar Phandalin anders aanvoelde dan eerdere aankomsten. Waar voorheen onzekerheid en gefluister de boventoon voerden, werd nu openlijk gesproken. Dorpsbewoners verzamelden zich op straat, handen werden geschud, en er klonk gelach dat wekenlang had ontbroken. De val van Cragmaw Castle had zijn echo bereikt.
Harbin Wester sprak zelfs van beloning op langere termijn. Volgens degenen die erbij waren, beloofde hij een stuk land, mits de onderneming in Wave Echo Cave eveneens tot een goed einde werd gebracht. Het was geen onmiddellijke gift, maar een belofte van toekomst, voorwaardelijk en veelzeggend.
In de dagen die volgden werd gerust. Wonden werden verzorgd, voorraden aangevuld. Barun zocht OneTooth op en inspecteerde hond en training met aandachtige blik. Kairon verkoos afzondering en bracht een nacht door in de herberg. Wie het zag, zegt dat hij zich terugtrok zonder uitleg, en dat zijn en Silvy’s paden elkaar kortstondig misten. Toen het moment van vertrek richting de mijn naderde, was niet iedereen gelijktijdig aanwezig. De groep hervond elkaar, maar de vertraging was voelbaar.
Voor het vertrek werd eerst een andere zoektocht ondernomen. De maanbloem, waarover eerder was gesproken, moest worden gevonden. Men bezocht Adabra, maar haar woorden waren kort en haar houding gereserveerd. Zij gaf geen duidelijke richting. Of zij terughoudend was uit onwil of uit overweging, bleef onuitgesproken.
Dieper in het bos werd een verhoogde plek gevonden, gehuld in mist. Op de verhoging stond een eenvoudig altaar. Het was donker, de lucht zwaar en stil. Op het altaar lag een blauw kistje. Rondom waakten ondoden, opgestaan om de plaats te beschermen. Volgens degenen die erbij waren, was het gevecht hevig maar kort. De wachters vielen één voor één, en geen van de levenden werd neergeslagen.
Het altaar zelf droeg een stille dreiging. Er groeide geen bloem. Geen zilverblauwe bloei onder het maanlicht. Alleen het kistje bleef achter als teken dat hier iets had moeten zijn.
In het kistje bevond zich een inscriptie, en het openen vereiste spreukkracht. Met hulp van de anderen was het Silvy die het slot verbrak. Binnen lagen bleke zaadjes, licht warm aanvoelend in het maanlicht. Men vertelt dat zij ze zonder aarzeling meenam. De bloem was afwezig, maar haar potentie leefde voort.
Latere kronieken vermelden dat deze zaadjes geen gewone zaden waren. Zij droegen een latente natuurresonantie, versterkten bescherming en herstel, maar weigerden kracht wanneer zij tot vernietiging werden aangewend. Wie het begrijpt, ziet hierin een les: de natuur laat zich niet dwingen.
De maanbloem werd die nacht niet gevonden. Toch werd haar toekomst verplaatst van heilige plek naar menselijke zorg. En terwijl plannen werden gesmeed om de Wave Echo Cave te betreden, groeide elders een andere verwachting. Want wie de balans van de natuur verstoort, roept niet alleen bescherming op, maar ook tegenkrachten die geduldiger zijn dan bloemen en dieper wortelen dan steen.
Men vertelt dat de ingang van Wave Echo Cave zich verborgen hield tussen de uitlopers van de Sword Mountains, als een wond in de rots die alleen zichtbaar werd voor wie wist waar te kijken. De doorgang was smal, de lucht koel en stil. Geen wachters, geen rook, slechts steen en schaduw.
De eerste grot die zich opende was ruim, gedragen door een natuurlijke zuil van rots. Drie stalagmieten staken als stompe wachters uit de grond. Achter de rotskolom lagen bedrollen en eenvoudige voorraden: meel, gezouten vlees, lampolie en gereedschap. Tussen deze sporen van menselijk werk lag het lichaam van een dwerg, al dagen dood.
Volgens degenen die erbij waren, werd hij herkend als Tharden Rockseeker. Er werd geen ceremonie gehouden. Het lichaam bleef liggen waar het lag. De groep koos ervoor verder te gaan, de diepte in, alsof tijd hier belangrijker was dan rouw.
In de noordoostelijke hoek gaapte een ingestorte sectie van de grot: een tien voet brede put, twintig voet diep. Een stevig henneptouw hing langs de wand. Men daalde af zonder incident, het touw kreunend onder gewicht maar houdend.
De oude mijngangen die volgden waren laag en kronkelend. Het plafond drukte, de wanden waren ruw en onvoltooid. In deze doolhofachtige sectie werd een sluipende dreiging voelbaar. Een okergele massa bewoog zich traag uit een doodlopende gang, vormloos en glanzend in het schaarse licht. Wie het zag, zegt dat het wezen zonder geluid aanviel.
Het eerste gevecht in de mijn was kort, maar niet eenvoudig. Snijdende slagen troffen het slijmerige lichaam, dat zich daarop in tweeën splitste. Wat één dreiging was geweest, werd er twee. Toch werden beide delen uiteindelijk tot stilstand gebracht, hun vorm uiteenvallend in levenloze resten.
Dieper in het complex werd een halfopen deur aangetroffen. Achter het hout klonk gekraak, als bot op steen. De deur werd herhaaldelijk geopend en weer gesloten, een aarzelend aftasten van wat zich daarbinnen bevond. Een spreuk werd naar binnen geworpen, maar de grijze figuren ontweken de ergste gevolgen.
Toen men de kamer betrad, werden drie ghouls zichtbaar tussen de oude britsen van een voormalige barak. Zij scharrelden tussen beenderen van dwergen en orcs, knagend aan wat restte van lang vervlogen levens. Het gevecht dat volgde was direct en fel, maar beheerst. Geen van de levenden werd verlamd of neergeslagen. Tijdens deze strijd voegde Silvy zich weer bij de groep, haar afwezigheid beëindigd op het moment dat de dreiging concreet werd.
Volgens latere kronieken werd in deze barak mogelijk kort gerust. De geur van oude dood hing zwaar, maar de ruimte bood beschutting tegen de gangen daarbuiten.
Wave Echo Cave had haar eerste geheimen prijsgegeven: een vermoorde Rockseeker, achtergelaten uitrusting, sluipende oersoep en hongerige ondoden. Maar wie het geheel overziet, ziet dat dit slechts de buitenste schil was. Dieper in de mijn bewoog een tegenstander die niet blind was voor indringers, en die zijn netten al had gespannen lang voordat de eerste voet de put afdaalde.
Men vertelt dat de strijd in de oude wachtruimte van de mijn begon zonder waarschuwing. In de Old Guardroom stonden de indringers oog in oog met een groep ondoden: twee ogre zombies en een aantal dwergenzombies, ooit wellicht verdedigers van de mijn maar nu slechts schimmen van wat zij waren geweest. De strijd die volgde was fel maar eenzijdig. De tegenstanders bewogen traag en ongecoördineerd, en ondanks hun grootte en aantal werden zij één voor één neergehaald. Toen het stof was neergedaald, bleven alleen rottende lichamen en enkele achtergelaten munten over.
Volgens degenen die erbij waren, nam Tufty kort daarna een potion of growth tot zich. Zijn gestalte groeide zichtbaar, zijn schaduw uitgerekt over de rotswand. Men zegt dat hij zijn nieuwe grootte met zichtbaar genoegen bekeek, alsof de mijn zelf plots kleiner was geworden.
In een aangrenzende ruimte werden oude voorwerpen onderzocht. Een stuk beschadigd perkament werd hersteld door Kairon, die met een spreuk de scheuren liet verdwijnen. Wat zichtbaar werd was geen kaart of strategisch bericht, maar een eenvoudig liefdesverhaal tussen twee dwergen — een onverwacht en bijna vreemd menselijk spoor in een plaats waar dood en verval de overhand hadden gekregen.
Daar werd ook een gesloten kist aangetroffen. Pogingen om haar met brute kracht te openen mislukten, maar met geduld en gereedschap wist Tufty het slot uiteindelijk te manipuleren. Binnenin lag opnieuw een kleine hoeveelheid geld, resten van een tijd waarin de mijn nog leefde.
De tocht voerde verder naar een ruimte waar twee vreemde zwammen groeiden. Zij bleken vijandig te zijn, maar de strijd was kort. De wezens werden snel neergeslagen voordat zij hun tentakels goed en wel konden gebruiken.
Dieper in het complex bereikten de indringers een oude kamer waar een andere dreiging wachtte. Daar verscheen een wraith — een wezen dat niet volledig tot de wereld van de levenden of de doden leek te behoren. Volgens degenen die het zagen, viel de temperatuur plotseling en flakkerde het fakkellicht alsof de vlammen zelf twijfelden te blijven branden.
Uit de schaduw vormde zich een gestalte. Lang en dun, zwevend net boven de grond, gehuld in gewaden die bewogen alsof zij onder water hingen. Waar een gezicht had moeten zijn, gaapte slechts duisternis. Twee bleke lichtpunten verschenen daarin en richtten zich zwijgend op de aanwezigen.
De strijd was gevaarlijker dan de voorgaande. Het wezen strekte een schaduwachtige hand uit en onttrok kracht aan Urza, die zichtbaar verzwakte door de aanraking. Toch werd de wraith uiteindelijk verslagen. Men vertelt dat de slag die hem trof eerst door zijn vorm leek te gaan als door rook, totdat bleek licht door zijn lichaam begon te breken. De schaduw scheurde open, zijn kreet galmde tegelijk door de lucht en door de gedachten van degenen die hem bevochten.
Zijn gestalte brak uiteen in slierten duisternis die langzaam oplosten in de lucht. De kou trok weg en de fakkels brandden weer rustig.
Daar, in de kamer waar het wezen had gestaan, besloot de groep halt te houden. De ruimte bood beschutting en een moment van herstel na de gevechten. Maar volgens latere kronieken was de stilte die volgde slechts tijdelijk, want aan de deur verscheen opnieuw een aanwezigheid — een andere schaduw, een andere dreiging — en de diepten van Wave Echo Cave hadden nog lang niet al hun bewoners getoond.
Men vertelt dat de nacht in de diepten van Wave Echo Cave ongewoon stil verliep. In de vertrekken die ooit aan een magiër toebehoorden, vond de groep rust. Geen gefluister in de gangen, geen schaduw die zich roerde. De dreiging die eerder voelbaar was geweest, bleef die nacht afwezig.
Bij het ontwaken werd de ruimte onderzocht, maar niets van waarde werd aangetroffen. De kamer droeg geen sporen van recente activiteit en bood geen aanwijzingen over de krachten die zich dieper in de mijn bewogen. Volgens degenen die erbij waren, werd zonder aarzeling besloten verder te trekken.
De weg leidde naar het noorden, waar een zwakke groene gloed zichtbaar werd. Daar bevond zich de Forge of Spells, een plaats waar oude magie nog altijd sluimerde. In die ruimte werd een wezen aangetroffen dat zich niet vijandig toonde, maar waakzaam bleef: een spectator, gebonden aan zijn taak.
Communicatie met het wezen verliep zonder gesproken woorden. Gedachten werden gehoord en beantwoord. Men vertelt dat het wezen sprak over zijn opdracht: de smidse bewaken totdat de dwergen zouden terugkeren. Het stelde grenzen — niets mocht worden meegenomen — maar erkende ook wat reeds was bereikt. De val van de wraith werd gezien als teken van oprechte intentie.
Eén voor één werden wapens in het groene vuur gelegd. Toen zij werden teruggenomen, droegen zij een nieuwe kracht. Een bijl kreeg een bleke blauwe gloed bij elke slag, een houten boog kwam terug als een steviger, haast metalen wapen. Het vuur had veranderd, maar niet zonder oordeel.
Er werden vragen gesteld. Over de mijn, over water, over wat nodig was om de smidse opnieuw tot leven te wekken. De antwoorden waren beperkt, maar wezen naar het noorden, waar water door de grotten stroomde.
De tocht werd voortgezet. In een grote cavern, waar geluid zich vreemd gedroeg en elke beweging leek te weerklinken, werd een reusachtig wezen uit het water gewekt. Een octopus, van ongekende omvang, bewoog zich met kracht door het duistere water. Volgens degenen die erbij waren, was de eerste reactie schrik, maar het gevecht zelf werd snel beslecht. Het dier viel, en de cavern keerde terug naar haar echoënde stilte.
Verder naar het noorden werd de weg ruwer. Oude stroomgeulen en ingestorte delen van de mijn maakten het terrein onvoorspelbaar. Daar, tussen steen en schaduw, werd een nieuwe tegenstander zichtbaar.
Vier berserkers traden naar voren, hun aanwezigheid ruw en onmiskenbaar. Bij hen stond een figuur in de gedaante van een drow. Wie het zag, zegt dat er iets niet klopte aan deze gestalte, alsof het slechts een masker was over iets anders.
Er was geen hinderlaag, maar ook geen aarzeling. De berserkers vielen onmiddellijk aan.
Tijdens de eerste momenten van het gevecht sprongen Kairon en Barun over de kloofachtige delen van de cavern, zich positionerend buiten direct bereik. De aanvallen van de berserkers vonden weinig doel, hun pogingen om de groep te grijpen bleven zonder resultaat.
Toen de strijd zich ontvouwde, stonden alle partijen nog overeind. Geen van de aanvallers was gevallen, en ook de drow-figuur had nog nauwelijks schade geleden. Volgens latere kronieken was dit het moment waarop duidelijk werd dat de ware confrontatie nog moest beginnen.
En terwijl staal werd geheven en spreuken werden voorbereid, hing er een andere dreiging in de lucht — want wat zich voordeed als een drow was mogelijk slechts een voorbode van de macht die dieper in de mijn wachtte.